Maandelijks archief 12 augustus 2019

JD Salinger: over Utah Beach en ‘battle fatigue’

 

Vlotte kans dat je vroeger op school The Catcher in the Rye van J. D. Salinger hebt gelezen voor je Engelse boekenlijst. Omdat het lekker dun was. Of omdat het de oermoeder van het coming-of-age-genre was – al wist je toen nog niet dat dat zo heette. Een wat triestig verhaal over ene Holden Caulfield, een dwarse, sombere, zoekende 16-jarige jongen… Dat is natuurlijk het ultieme leesvoer voor pubers die alles beter weten dan hun ingekakte en hopeloos ouderwetse ouders. Ik vond het geweldig.

Het boek werd meteen na publicatie (1951) de literaire hemel in geprezen. Bij anderen wekte het afschuw en weerzin omdat het zo’n slechte invloed had op de jeugd. Not-very-fun fact is dat het boek inderdaad een aantal idioten tot geweld inspireerde. De beroemdste van hen was Mark Chapman, de moordenaar van John Lennon; hij droeg zijn daad op aan Holden Caulfield.

Maar goed. Daar wilde ik het niet over hebben. Dit verhaal gaat over Salinger zelf, omdat hij erbij was in Normandië op 6 juni 1944. In tegenstelling tot veel leeftijdgenoten vond hij oorlog niet nobel of heroïsch, zelfs niet tegen de nazi’s. Hij vond het een smerige toestand, al voor hij uit eigen ervaring kon spreken. Want dat was nog vóór hij in Normandië op Utah Beach van boord ging en verzeild raakte in de bloedige ‘Battle of the Hedgerows’, en vóór hij de verschrikkingen van de concentratiekampen bij Dachau met eigen ogen zag.

Zijn ervaringen in Europa hakten er nogal in. Zozeer dat Salinger na de oorlog enige tijd moest worden opgenomen met ‘battle fatigue’. Tegenwoordig noemen we dat PTSS en weten we dat oorlogsveteranen er de rest van hun leven ernstig onder kunnen lijden. Er zijn mensen die zich nu afvragen of dat niet ook het geval was bij Salinger.  

Voor de oorlog was hij een actieve, ambitieuze man die zijn uiterste best deed om zijn verhalen gepubliceerd te krijgen. Maar na de oorlog, vanaf het moment dat hij doorbrak met The Catcher in the Rye, begon hij zich terug te trekken uit het openbare leven. Aanvankelijk leek het er nog op dat hij gewoon gesteld was op zijn privacy, maar het nam steeds excentriekere vormen aan. Hij wilde uiteindelijk bijna niemand meer zien en weigerde nog iets te publiceren, ondanks smeekbedes van uitgevers en fans. En dat heeft hij 45 jaar – van 1965 tot zijn dood in 2010 – volgehouden.

In 45 jaar kan een mens een hoop schrijven, zeker als je verder de deur niet uitkomt. Dus over wat we ná zijn dood nog van Salinger konden verwachten, hebben altijd de wildste geruchten de ronde gedaan. Er zouden grote stapels papier liggen met onsamenhangend geraaskal van een getergde ziel. Er zou vrijwel niets zijn. Er zouden een stuk of wat literaire pareltjes klaarliggen voor publicatie…

Wat in ieder geval zeker is: er liggen vijf korte verhalen van Salinger in een kluis op de campus van Princeton. Eén daarvan, ‘The Magic Foxhole’, gaat over zijn ervaringen in Normandië. Salinger bood het aan bij The New Yorker, maar omdat hij er zulke schokkende details van de gevechten in beschreef, wilden de redacteuren er niet aan. En toen zij over de schrik heen waren, wilde de schrijver zelf niet meer. Nu is het wachten op toestemming van de erven Salinger.

In 2019 liet Salinger’s zoon Matt weten dat hij aardig begon te vorderen met het uitspitten van de literaire erfenis van zijn vader. Maar het is veel en hij wil het – ook op verzoek van zijn vader – zorgvuldig doen, dus hij is nog wel even bezig. ‘Hopelijk minder dan tien jaar.’ Ach weet je, het wachten duurt voor fans van het eerste uur al zo’n 55 jaar. Dan maken de volgende tien jaar ook niet meer uit. Maar áls er iets verschijnt dan beloof ik – nee, garandéér ik – dat ik het ga lezen. Cross my heart and hope to die.

 

Calvados. Wat was er eerst, de drank of het departement?

 

Van dat soort vragen houd ik: je hebt niks aan het antwoord, maar het is wel leuk om te weten. Zo’n weetje verdwijnt ergens in een stoffige la in een uithoek van mijn geheugen, tot ik het een keer nodig heb. Bij Triviant of een wanhoopspoging om een doodgevallen conversatie te reanimeren, bijvoorbeeld.

Het antwoord is: de drank was er eerst, daarna het departement. De eerste van die zelf Calvados stookte, was ene Gilles de Gouberville, in 1553. Hij woonde gek genoeg in Manche en niet in Calvados, maar dat wist hij ook niet. Want het is hier pas veel later, kort na de Franse Revolutie, Calvados gaan heten, dankzij een door Napoleon doorgevoerde administratieve wijziging.  

Napoleon zoals hij zichzelf graag, als veldheer en veroveraar.

Napoleon was een complex mannetje. Aan de ene kant: narcistisch, moorddadig, megalomaan, oorlogs- en heerszuchtig… Uiterst onaangenaam allemaal. Maar aan de andere kant: een slimme man met organisatorische vaardigheden van de buitencategorie. Hij heeft best een paar goede ideeën gehad; van sommige daarvan hebben we nu nóg lol. En met ‘we’ bedoel ik bíjna heel West-Europa.

Om maar eens wat te noemen…

  • Een burgerlijke stand waarin geboorten, huwelijken, echtscheidingen en overlijdens moesten worden geregistreerd. Ook handig voor wie belasting wil innen en de dienstplicht wil afdwingen, natuurlijk.
  • De dienstplicht, inderdaad.
  • Een nieuwe administratieve indeling met verschillende bestuurslagen; het departement Calvados was destijds één van de noviteiten. Inmiddels zijn die bestuurslagen uitgegroeid tot een onmogelijke kluwen regio’s, departementen, arrondissementen, kantons en communes, waarin niemand meer precies weet wie waarvoor verantwoordelijk is. Maar het begon ooit als best een goed idee.
  • Straatnamen en huisnummers. Geef toe, dat is gewoon een superpraktisch systeem, waarschijnlijk ook bedacht om belasting te innen. Maar als je een pakje wil versturen of probeert uit te leggen waar je woont inmiddels onmisbaar.
  • En nog veel meer. Nieuwe meeteenheden: meters, kilo’s en liters. Een einde aan privileges voor de geestelijke en adellijke stand. De leerplicht. Het Franse wegennetwerk (Route Nationale). Rechts rijden. De Code Civil waarin vrijheden en rechten van burgers werden vastgelegd. (Voor mannen dan hè, voor vrouwen was het gewoon business as usual: snaveltje dicht, luisteren en doen wat je gezegd wordt.)  

En waar rijden ze nog steeds links en hanteren ze nog steeds een eigen systeem van meeteenheden? Juist: Engeland. Napoleon wilde dolgraag oversteken en ook zijn aartsvijand inlijven, maar dat maffe eiland was een brug te ver, zelfs voor hem. (Rusland was dat natuurlijk ook, maar dat was een les die hij proefondervindelijk moest leren.)  

Ik durf er wel een gokje op te wagen dat de drank Calvados er langer zal zijn dan de administratieve erfenis van Napoleon. Al was het alleen maar omdat praktisch iedere boer hier een eigen boomgaardje heeft en zelf Calvados stookt. Bij feestelijke gelegenheden – en dat zijn er véél meer dan je denkt – komt onmiddellijk de fles op tafel, ongeacht het uur van de dag, en dan wordt er hartelijk geklonken en gedronken. Die traditie lijkt me gemakkelijk vol te houden.

Trou Normand. Ooit was dat gewoon een flinke bel calvados halverwege de maaltijd, tegenwoordig komt het ook op tafel als  elegant tussengerechtje bij een uitgebreid diner.

En je kunt dus ook nog eens belachelijk lekkere dingen maken met Calvados. En dat mag ik graag doen. Kip met calvados. Appeltaart met Calvados. Appelsorbet met Calvados (a.k.a. Trou Normand). Warme appeltjes met calvados met ijs of op een crêpe.  Een cocktail met wodka, Calvados en ginger ale. Coquilles met Calvados. Of ik dat allemaal al een keer gemaakt heb? Ja mensen, allemaal minstens één keer en met wisselend succes. Voor table d’hôtes kun je niet vaak genoeg oefenen.