Schrijvers archief johzij

Trees heeft een Canadees

 

Toen de Tweede Wereldoorlog was afgelopen, was mijn moeder een jong meisje. Ze had het bombardement op Rotterdam, vijf jaar bezetting en een hongerwinter overleefd. Dus ja, die stond juichend en zingend langs de weg toen haar bevrijders kwamen. Canadese troepen in jeeps en ander rollend materieel trokken de stad in, lieten zich omhelzen, deelden chocola en kauwgum uit. Met dat beeld ben ik opgegroeid: Canadezen als strijders, helden en bevrijders. De ultieme ‘good guys’.

Heemraadsingel in Rotterdam kort na 5 mei 1945. Er hangen mensen uit het raam en er staan Canadese jeeps geparkeerd in het gras.

Heemraadsingel in Rotterdam, kort na de bevrijding.

De Canadezen waren er ook bij op 6 juni 1944 in Normandië. Ze landden samen met de Britten op Juno Beach en hadden de opdracht de route van Bayeux naar Caen veilig te stellen en het vliegveld bij Carpiquet (bij Caen) in te nemen. Niet onbelangrijk, zou je zeggen. De landing op Juno Beach wordt bovendien net als die op Utah Beach beschouwd als een belangrijk strategisch succes. En toch, als het over D-Day gaat, gaat het opvallend weinig over de rol van de Canadezen.

Misschien ligt het aan het feit dat er ‘maar’ 14.000 Canadezen waren onder de eerste 150.000 geallieerde manschappen die aan land gingen. Of dat die dag elders – op Omaha Beach – een ware slachtpartij onder Amerikaanse soldaten werd aangericht. Of misschien was het omdat de Amerikanen en Engelsen moeite hadden om effectief samen te werken en de Canadezen om die reden minder opvielen. Of misschien ligt het gewoon aan mij en is hun bijdrage in mijn hoofd groter dan die werkelijk was. (Want ik heb dat dus ook, dat ik niet neutraal kan zijn over Canadezen. Van mijn moeder geleerd. Vancouver Island, Banff, beren en bergen. The Mounties. Justin Trudeau. Wow.)

Mijn moeder was toen Rotterdam bevrijd werd al beeldschoon, maar te jong en nog niet huwbaar. Daar zal ze van gebaald hebben met al die stoere Canadese helden in de buurt. Veel meisjes die wel oud genoeg waren, stortten zich vol overgave in de armen van hun bevrijders. En daar is een heel vrolijk liedje over gemaakt.

 

Waarom hangt die parachute aan de kerk van Sainte-Mère-Église?

Kertoren met om de spit een parachute en een dummy daaraan bevestiugd.Het is een beetje ’tacky’, zo’n pop met een parachute aan een kerktoren. Maar omdat die pop symbool staat voor het tragische lot van veel Amerikaanse paratroopers die in het dorp verzeild raakten, wordt hij – terecht, vind ik – gekoesterd. Het is een van de droevigste verhalen van D-Day en het gaat als volgt:

Al in de nacht voor D-Day landden duizenden geallieerde parachutisten in het Normandische kustgebied. Hun opdracht was: verwarring zaaien onder de Duitsers en alvast een aantal cruciale plekken veroveren. Maar het was met die droppings net als met de bombardementen: de piloten deden hun uiterste best, maar het is moeilijk mikken in het stikdonker, met slecht weer en zonder de precisie-instrumenten, en terwijl de kogels je om de oren vliegen…

Veel Amerikaanse soldaten die ten westen van Sainte-Mère-Église hadden moeten landen, kwamen verkeerd terecht: midden in het dorp zelf. En in het dorp was net iedereen op de been – dorpsbewoners én Duitsers – om een grote brand te blussen. Dus de Duitsers konden rustig aanleggen en de parachutisten één voor één uit de lucht schieten.

Zwartwitillustratie van twee mannen in uniform

John (links) en zijn broer Norman Steele

Een van de parachutisten was John Steele. Kort na zijn sprong werd hij meteen al in zijn voet geraakt, maar dat viel mee in vergelijking met wat daarna kwam. Zijn parachute bleef hangen aan de kerktoren van Sainte-Mère-Église en hij kon geen kant meer op. Twee uur lang hield hij zich daar dood. Maar hij wel horen hoe zijn collega’s werden afgeschoten.

Uiteindelijk viel Steele toch in handen van de Duitsers, al was zijn gevangenschap van korte duur. Na drie dagen ontsnapte hij en wist hij zich bij een andere eenheid aan te sluiten, gewonde voet en al. Nadat hij van zijn verwondingen was hersteld, hielp hij mee Nijmegen te bevrijden tijdens Operation Market Garden.

Na de oorlog werd hij ereburger van Sainte-Mère-Église en een graag geziene gast bij de jaarlijkse D-Day-herdenkingen in het dorp. Na zijn dood in die omgeving begraven worden, maar daar is het niet van gekomen. Hij overleed in 1969 – 57 jaar oud nog maar – aan keelkanker en kreeg een laatste rustplaats in Metropolis, North Carolina.

Daarom hangt dus die parachute aan de kerk van Sainte-Mère-Église. Ter ere van John Steele en al die andere mannen die in het dorp terechtkwamen.

Nuttig weetje
In Sainte-Mère-Église staat overigens een van de interessantste D-Day-musea die Normandië rijk is, vind ik: het Airborne Museum. Omdat ieder zichzelf respecterend dorp hier wel een museum heeft, is dat zeker het vermelden waard.